De energietransitie waarop de focus zou moeten liggen
"We moeten de lijn omhoog brengen door H's te vervangen door C's en aardgas te verkiezen boven kolen en olie."
Het lange verhaal van menselijke energie draait om twee elementen: waterstof en koolstofdioxide. Ofwel H en C. Samen vormen zij koolwaterstoffen. Deze worden al sinds de oudheid gebruikt voor het vrijmaken van energie door verbranding. Hout verwarmde onderkomens en werd gebruikt voor het koken van voedsel.
Vandaag de dag worden elektriciteitscentrales nog steeds aangedreven door steenkool om te voorzien in het merendeel van de energiebehoeften van de samenleving. Olie levert een energiedichte brandstof voor het mogelijk maken van een snelle verplaatsing van A naar B. Aardgas verwarmt moderne huizen en vervangt nu steenkool in elektriciteitscentrales.
De mensheid is geleidelijk overgestapt van koolwaterstoffen met een hoog koolstofgehalte naar koolwaterstoffen met een hoger waterstofgehalte, de eigenlijke "decarbonisatie". Hout is ruwweg 10 Cs op 1 H, steenkool is 1 op 1, olie is 1 op 2 en aardgas is 1 op 4.
Het mooie aan deze evolutie is dat onze energiebronnen geleidelijk veel schoner zijn geworden. Waterstof transformeert bij verbranding in waterdamp en warmte. Hoe meer waterstof wordt gebruikt in de energiemix, hoe beter het is voor het leven op aarde. Honderden jaren was er een serieuze energietransitie van C naar H. Kolen vervingen hout in Amerika rond 1900, wereldwijd rond 1935. Olie domineerde kolen in Amerika rond 1950 en wereldwijd rond 1970. Aardgas en nucleair waren de volgende energievormen die daarna zouden heersen, hoger klimmend op de waterstofladder.
Maar in 1970 kwam er een abrupt einde aan de stabiele trap richting schonere brandstoffen. Jesse H. Ausubel van de The Rockefeller University merkte op dat vanaf dat moment het substitutieproces wereldwijd stagneerde voor 50 jaar. RealClearScience vroeg Ausubel waarom dit was gebeurd. Zijn antwoord hierop is het falen van kernenergie om het verwachte marktaandeel te behalen. Verkeerd geïnformeerde nucleaire oppositie van milieuactivisten, protectionisme vanuit de kolenindustrie en marketing-misstappen door aardgasbedrijven hebben hier ook allemaal aan bijgedragen volgens Ausubel. Volgens hem moeten we grote kerncentrales bouwen die waterstof maken als een flexibel tussenproduct dat nucleaire warmte opslaat als chemische energie. De overvloedige waterstof kan weer ingezet worden om ertsen te verkleinen, huizen en industrieën te verwarmen, chemicaliën synthetiseren, vloeibare brandstoffen te produceren zoals methanol en ammoniak, motoren te laten draaien en zelfs grondstoffen te leveren voor de productie van voedingsmiddelen.
Kortom: minder C's en meer H's voor een gezondere wereld, een sterke economische groei en een veiliggesteld klimaat.